Inheems of excoot?

Allochtonen of wel exoten worden door velen bestreden. In het Rijk van Nijmegen wil men de Tamme Kastanje uit sommige bossen verwijderen. Op de Veluwe worden de Damherten afgeschoten. De door een jachtlustige koning in de vorige eeuw geherintroduceerde wilde varken en edelherten blijven als geliefd jachtwild nog buiten schot evenals de fazant en het konijn. Maar bij de vogelaars staat de steeds meer in het wild voorkomende Nijlgans ter discussie.

Gelukkig hebben floristen, eigenlijk als enige, de zaken op een rijtje gezet. Soorten die zich spontaan gedurende een reeks van jaren op meer dan een plaats hebben weten te handhaven en vermeerderen en daarbij een wel omschreven standplaats bezetten zijn ingeburgerd. Naast oorspronkelijk inheems, kent men twee kwaliteiten: Neofyten, zijn soorten die na het jaar 1500 zijn ingeburgerd. Archeofyten zijn planten die al eerder zijn ingeburgerd zoals de korenbloem. Alle drie de klassen worden tot de wilde flora van Nederland gerekend. Een Neofyt als kalmoes ( oorspronkelijk geneeskruid uit China) behoort tot de Nederlandse flora terwijl menig bosbouwer de tamme kastanjers als excoot vogelvrij verklaard. Beide zijn na 1500 ingevoerd en weten zich in het wild te handhaven.
Dus hoe zit dat nu met bomen?

Is het geen wilde soort meer, omdat ze zijn uitgestorven in het wild? Van de oorspronkelijke 30 oorspronkelijk (genetisch) inheemse boomsoorten zijn er 13 ofwel 43% uitgestorven of zeer zeldzaam! 11 soorten (37%) zijn (vrij) zeldzaam en 6 soorten (20%)zijn nog algemeen voorkomend.
Voor bomen is er nog een probleem. Van verschillende soorten is bekend dat ze voor de ijstijden hier al voorkwamen. Behoort daarom bv. de Ginkgo en de Tulpenboom niet tot de zeer oorspronkelijk inheemse flora? Alleen zijn ze met hulp van de mens in onze streken terugkeert. Wie zich er in verdiept stuit nog op een ander aardig feit dat onze Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, appelbes en krent niet meer overeenstemmen met een huidige soort in hun oorspronggebied Noord Amerika. Aanpassing of evolutie! Mogen we het nu de Europese ondersoort noemen?

Insekten, schimmels en bacteriën vormen een aangepaste levensgemeenschap met een plant. Hoe langer de soort hier voorkomt des temeer soorten op de plant worden aangetroffen. Hierbij is een soort evenwichtssituatie gegroeid. Soorten waarbij de bijbehorende insekten enz. niet zijn meegeimmigreerd doen het hier soms beter dan in hun oorsprong gebied. Dit kan gunstig zijn. Bv. De Robinia pseudoacacia groeit in Europa gezonder op als in zijn thuisland Noord Amerika omdat de gespecialiseerde houtboorders zijn achter gebleven. Zo'n soort heeft een voorsprong op de concurrentie en kan dan gaan overheersen. Voorbeelden daarvan zijn de Amerikaanse vogelkers (bospest), sneeuwbes en Japanse duizendknoop. In het algemeen vormen door de mens ingevoerde soorten een verrijking van het menselijk milieu. De stedelijke gebieden bieden zelfs voor het merendeel van onze inheemse boomsoorten een ongeschikt leefklimaat. Deze gebieden hebben ook weinig gemeen met hun natuurlijk biotoop. In (natuur-) gebieden of bij natuurontwikkelingsprojekten waar we streven van een zo gevarieerd mogelijke levensgemeenschap (zoveel mogelijk planten en dieren) is de genetische zuiverheid van een groot belang. De Stichting Bronnen te Nijmegen beijverd voor het kweken van betrouwbaar (genetisch zuiver) inheems plantmateriaal.
