" What's in a name."
Aad de Boer

Foto Dv.d.Spoel: Vink
Dan zal het u ook ongetwijfeld opgevallen zijn dat zowel bij de planten als bij de insecten en de vogels, naast de Nederlandse naam ook altijd een Latijnse naam staat vermeld. Zo heet, om even bij de vogels te blijven, een huismus in het Latijn: Passer domesticus en een vink Fringilla coelebs. Nu hebben wij ook allemaal een voor- en een achternaam, dus zo vreemd is het nu ook weer niet, maar misschien is het aardig om eens in te gaan op de vraag waar de Latijnse namen vandaan komen en waarom die naamgeving nu zo in elkaar zit. En als u het niet erg vindt, blijf ik daarbij op mijn eigen "terrein", namelijk dat van de vogels. Overigens zit de naamgeving bij planten en insecten niet veel anders in elkaar, maar over vogels kan ik wat meer vertellen, vandaar. Het was de Zweedse geleerde Carolus Linnaeus die in de 18e eeuw een methode uitvond om alle planten en dieren op naam te brengen. Niet dat voor die tijd planten en dieren geen naam hadden, want dat was natuurlijk wel het geval. De naamgeving van vogels kent bijvoorbeeld al een geschiedenis van ongeveer 2500 jaar. Linnaeus vond echter een methode uit waardoor het niet alleen mogelijk was een vogel, vis of plant aan zijn naam te herkennen, maar hij zorgde er daarbij ook voor dat deze naam duidelijkheid gaf over de soort, het geslacht, de familie of de orde waartoe deze behoorde. Linnaeus deed dit aan de hand van de specifieke kenmerken en eigenschappen van dier- of plantengroepen (zangertjes zijn anders dan steltlopers en steltlopers lijken weer niet erg op ganzen of eenden). Linnaeus maakte voor zijn indeling gebruik van de Latijnse en de Griekse taal. Een logisch gevolg van het feit dat de Latijnse en Griekse taal vrijwel overal bekend was, zeker in de kringen van geleerden en wetenschappers. Destijds gold het immers ook als een bijzondere vorm van status om Grieks of Latijn te kunnen spreken en lezen.

Zwarte Kraai
Misschien even tijd voor een voorbeeld. We blijven even bij de kraai en ook even bij mij. Ik heet den Boer met mijn achternaam. Maar daar zijn er nogal wat van. Op het moment dat ik mijn voornaam gebruik wordt het al gemakkelijker. De kring van mensen waaruit gekozen kan worden wordt dan al een stuk kleiner of is hopelijk al beperkt tot enkel mijzelf. Bij de kraai werkt dat ongeveer op dezelfde manier. Hij heeft alleen zijn achternaam aan de voorkant staan. Als we bijvoorbeeld alleen maar over "Corvus" spreken, dan kijken er meteen meerdere geslachten van kraai-achtigen onze kant op, zoals bijvoorbeeld de roek en de kauw. Zodra we de volledige soortnaam noemen, Corvus corone, is er geen twijfel meer mogelijk; we hebben het over de kraai. Maar daarmee zijn we er nog niet helemaal. De "Corvussen" behoren namelijk , als "geslacht" tot een veel grotere familie van allemaal kraai-achtigen, de Corvidae. Alle families bij elkaar maken vervolgens weer deel uit van een orde; de orde van de zangvogels (Passeriformes). Alle vogels bij elkaar (ca. 9600 op de gehele aardbol) behoren tot die ene klasse van de vogels (Aves).
Even de rij in de juiste volgorde aan de hand van een andere vogel :
| orde : | Falconiformes | (Valkachtigen) | familie : | Accipitridae | (Havikachtigen) | geslacht : | Circus | (Kiekendieven) | soort : | aeruginosus | (Bruine kiekendief) |
Maar hoe krijgt een vogel dan zijn (of haar) Latijns/Griekse naam? Daar blijkt, bij nadere beschouwing, heel wat logica in te zitten.
In de eerste plaats heeft Linnaeus niet iedere naam opnieuw verzonnen. Veel heeft hij overgenomen van de al bestaande namen. Daarbij maakte hij zowel gebruik van Latijnse en Griekse namen als van andere talen. Veel vogels krijgen ook de naam van degene die de vogel als soort heeft ontdekt of er veel onderzoek naar heeft gedaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Gavia adamsii, een duikersoort uit de koude noordelijke contreien. Deze is genoemd naar de Engelse arts en vogelonderzoeker Adams. Daarnaast hebben vogels ook vaak hun naam te danken aan een pure vertaling van bepaalde eigenschappen van een soort (kleur, gedrag, lichaamsvorm e.d.) Zo heet een dodaars in het Latijn Tachybaptus (snel onderduikende vogel) ruficollis (met rossige hals en een kolgans: Anser (gans) albifrons (met wit voorhoofd). Volsterkt logisch toch?? Bovenstaand stukje is wellicht te kort om het geheel van de naamgeving en soortindeling volledig te kunnen beschrijven. Mocht daar behoefte aan zijn, dan wil ik daar in een volgend "Blad" nog wel een keer op doorgaan. Ter afsluiting volgt hieronder nog een aantal vogels die hun naam te danken hebben aan hun typisch gedrag of kenmerk.| Ned. naam: | Latijnse naam: | Betekenis: |
| Roerdomp | Botauris stellaris | brullende stier (naar het geluid dat de vogel maakt) |
| Rietgans | Anser fabalis | gans van de bonen (eet 's winters de bonen van het veld) |
| Alpensneeuwhoen | Lagopus mutus | onverstaanbaar (de vogel maakt weinig geluid) |
| Kleine plevier | Charadrius dubius | twijfelachtig (onduidelijk of de vogel een aparte soort is) |
| Wulp | Numenius arquata | nieuwe maan (sikkelvormige snavel) |
| Amerik. bosruiter | Tringa solitaria | eenzaam levend |
| Grote jager | Stercorarius skua | uitwerpselen-jager (eet het uitgebraak- te voedsel van andere vogels) |
| Orpheusspotvogel | Hippolais polygotta | zangvogel met veel stemmen (bootst andere vogels na) |
| Rouwmees | Parus lugubris | Rouwdragend (somber gekleurde vogel) |
| Kauw | Corvus monedula | raafachtige centenpikker |
