Biesboschpolder Maltha.

door Aart van Dragt

Witte reigers in de Biesbosch

Een zonnige najaarsdag. Ik besluit naar de Brabantse Biesbosch te rijden. Op de zuidelijke rondweg van Dordrecht sla ik af bij de afslag naar de pont naar Werken- dam. Bij de Kop van 't land zet deze je over naar de Brabantse Biesbosch.

Aalscholver
foto D. v.d. Spoel: Aalscholver
Aan de Brabantse zijde blijf ik gelijk al boven op de dijk stil staan. Aan beide zijden van de weg strekken zich ondiepe plassen uit. De in 1868 ingepolderde Spieringpolder is aan de natuur teruggegeven. Watervogels volop. Smienten, slobeenden, krakeenden en wintertalingen. Mijn aandacht gaat vooral uit naar de statig rondstappende grote zilverreiger. Het dier is ongeveer even groot als een blauwe reiger. Even later zie ik er nog ander exemplaar achter in de plassen. Een derde vliegt even later pal over mijn hoofd. De gele snavel waarmee het dier zich van een kleine zilverreiger (zwarte snavel) onderscheidt is goed waarneembaar. Deze dag begint al goed. Grote zilverreiger komt steeds meer voor. Het aantal broedparen nam toe van 1 in 1998 tot 50 in 2002.

Malthapolder
Daarna rij ik langs het Biesbosch museum en het drinkwaterbekken naar de nabij gelegen polder Maltha. Ook deze polder is ruim 120 jaar na de drooglegging weer ingericht voor de natuur. In korte tijd heeft het gebied bij vogelaars een grote naam opgebouwd. De vele oeverzwaluwen zijn al naar warmere oorden vertrokken. In de vogelkijkhut heeft een kunstschilder op de achterwand een prachtig panorama vervaardigd van alles wat hier is aan te treffen. Vooral de zilverreigers krijgen ruime aandacht. Terwijl ik rond kijk vliegen er tien grote zilverreigers over. Voor de hut besluiten een aantal aalscholvers samen te gaan vissen. In slagorde zwemmen en duiken ze, waarbij ze de vissen opjagen. Ze hebben veel succes en er komen steeds meer aalscholvers meedoen. Samen werken ze de hele plas rond. Op het tumult komen wel twintig kokmeeuwen aan die ook van de paniek onder de vissen gebruik willen maken om een visje te verschalken. Even later zie ik vijf grote zilverreigers aanvliegen die zich langs de oever opstellen. Af en toe doen ze stapje het water in en strekken ze hun lange nek om een aan de aalscholvers ontsnapte vis in te rekenen. Het hele koor trekt telkens een stukje verder. Pas na een half uur hebben de aalscholvers er genoeg van en op een zandrichel gaan ze breeduit hun vleugels drogen. De rust keert in het gebied terug. Ik besluit over de dijk rond het gebied te lopen. Op diverse plaatsen zie ik ganzen. Er verblijven hier verschillende soorten ganzen. De meeste ganzen zijn grauwe ganzen, maar er is ook een groepje canadeze ganzen. De canadese gans is, evenals de circa veertig nijlganzen die op een eiland neerstrijken, een nieuwkomer die nadat ze uit verzamelaarscollecties is ontsnapt en in onze natuurgebieden in steeds grotere aantallen voorkomt. Canadese gans is van 5 broedparen in 1977 toegenomen tot 1300 broedparen in het jaar 2000. Het aantal broedparen van de nijlgans steeg van 48 broedparen in 1977 tot 4800 in het jaar 2000. Iets verder op lopen tien lepelaars met hun bewegend om met de lepelvormige snavel het water te zeven. Hun manier van foerageren is heel anders dan van de grote zilverreiger waarop ze van een afstand wel veel op lijken.

Als ik terug loop passeren mij wel twintig luid babbelende dames op hun fietsen. "Kijk, een witte reiger" roept een van de achterste fietsers. Ze tracht af te stappen. De anderen ontwijken haar en fietsen door. Heel even staat ze met de hand boven de ogen te turen. In de verte verdwijnt het gezelschap. Met een zucht stapt ze weer op de fiets. Ze gaat op de pendalen staan om snel aan te kunnen sluiting.
Vorige pagina