Het park van Huys ten Donck
door Aart van Dragt
Het park zoals we nu kennen is grotendeels het werk van Cornelis Groeninx van Zoelen. (1740-1791). Op 18 jarige leeftijd erfde hij het statige Huys ten Donck dat zijn vader in 1746 op de plaats van een ouder buitenhuis had gebouwd. Vijf jaar later werd een begin gemaakt aan de aanleg van het huidige park. Geleidelijk werd de bestaande wat formele aanleg veranderd in een landschapspark. De wijziging die leidde tot het huidige park heeft bijna een halve eeuw in beslag genomen.

Aan de oogvormige vijver groeit de "spaanse" boshycint
Het idee van een landschapspark kwam uit Engeland en werd later naar de oorsprong de "Engelse landschapstijl" genoemd. Handelscontacten met Engeland zullen er wel debet aan zijn geweest, dat Cornelis als een van de eerste in Nederland deze ideeën overnam. De nieuwe stijl had een aantal praktische voordelen. De formele geometrische tuinen hun geschoren bomen en hagen waren uitermate bewerkelijk. Terwijl in de nieuwe stijl alles een zo natuurlijk mogelijk karakter moest krijgen. Ronde of rechthoekige vijvers veranderden in natuurlijk ogende waterpartijen waarvan het water werd aangevoerd door slingerde beken. Hier en daar ruiste een watervalletje. In ons vlakke land moest men wel enige moeite doen omdat voor elkaar te krijgen. Maar ook het park van Huys ten Donck heeft zo'n cascade nabij een bruggetje, waar men onder het lommer een ogenblik kan verpozen. Door de aarde te gebruiken, die bij de aanleg van beken en vijvers (het liefst met een eilandje) was vrijgekomen, kon men enige hoogteverschillen aan brengen.
Voor de over kronkelpaden voortbewegende wandelaar was er telkens wat te beleven. De ene keer prachtig uitzicht (verschillende zichtassen en de zonnehoek), een bijzondere boom (o.a. Ginkgo, Vleugelnoot, Catalpa) of zeldzame planten vaak bol of knolgewassen (winterakoniet, bosanemonen, stengeloze sleutelbloemen e.d. ), een slingerde beek met een watervalletje (nabij de Blaakwetering) , een klassieke schijnruïne (uit 1781 bij de Oogvormige vijver) die tot overpeinzingen over de vergankelijkheid noodde, theehuisje (in de vorm van een tempeltje op een heuvel aan de rand van een vijver in het nieuwe werk) dat helaas verdwenen is. Ook verdwenen is een kleine piramide die in het oostelijk deel nabij de Blaakwetering stond. Deze piramide was eertijds een doel en eindpunt van de wandeling. De huidige rondwandeling is pas aan het eind van de 18e eeuw mogelijk gemaakt toen ook de vijver in het nieuwe werk en de walvisbrug zijn aangelegd. Daarna is een smalle strook met geboomte aangelegd (langelaan) die het nieuwe werk met het oude park verbond. Zo werd een prachtige rondwandeling mogelijk rond de grazige weiden die een belangrijke functie hadden om paarden van voedsel te voorzien. In verhouding tot de westzijde van het park is de oostzijde van het park van een smalle bomenrij voorzien. De bredere bomengordel aan de westkant van het park moet het park tegen de vaak krachtige westerstormen beschermen.

De werkzaamheden eindigden in het deel van het park waar ze ook zijn begonnen. Het Engelse bosje of Engelse werk. Een beetje achteraf werd (in 1763/1765) een begin met de verandering gemaakt. Een vijvertje, de uitgeworpen aarde op een hoge heuvel, een aantal bijzondere bomen, wat bolgewasjes en een paadje dat daarom heen slingerde. Nu is in het vroege voorjaar vanaf de Beneden Rijweg te zien dat hier de bosbodem geel oplicht van de winterakonieten en hier en daar is het doorspikkeld met het wit van de sneeuwklokjes en het groen van de Italiaanse aronskelken. Trots steekt een enorme rode beuk boven alle andere bomen uit. In 1808 werd als laatste grote toevoeging een kinderspeelhuisje genaamd de Boerenwoning in het park gebouwd. Door verhuizing van de familie van Rotterdam naar Den Haag kreeg het park gedurende een eeuw wat minder aandacht. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd onder leiding van de bekende tuinarchitect leonard Springer (overleden 1940) het herstel van het park stevig ter hand genomen. Toevoeging van zijn hand zijn beperkt tot enkele boomgroepen in de weilanden, een laantje met diverse boomsoorten en veel heesters in de bosranden. Het hakhout dat eens in de negen tot dertien jaren werd afgezet en een belangrijk onderdeel van het bos uitmaakte verdween. Het hakhout werd verstookt of verwerkt in afrasteringen en wat over bleef werd verkocht. Door de komst van alternatieve brandstoffen werd het zelf telen van hout minder belangrijk. In plaats daarvan werden eiken en beuken aangeplant. Mogelijk is in die tijd ook de Beeldentuin aangelegd. Daarnaast heeft hij er voor gezorgd dat bijzondere bomen weer de ruimte en aandacht kregen die ze verdienden.
Het unieke van dit park is, dat sinds de aanleg in de 18e eeuw nauwelijks is gewijzigd. In 1979 is het gebied uit oogpunt van natuurschoon en om zijn wetenschappelijke waarde erkend als natuurmonument en is daarom aangewezen als beschermd natuurmonument.
Zo komt u aan een wandelkaart voor het Donckse Bos

