"Wilde" eenden

door Rob Horvath

Woerd
foto D. v.d. Spoel: Woerd
Overal in ons land kom je ze tegen, ook al is er maar heel weinig water. Een onooglijk slootje, een kleine poel of plas is al genoeg. We hebben het over de eendensoort die in het latijn Anas platyrhynchos heet. In gewoon hollands: wilde eend. Echter, ze zijn allerminst schuw, eerder handmak en dus........... allerminst wild! Een verkeerde naamgeving? In zijn oorsprong waarschijnlijk niet. Er zal een tijd geweest zijn dat ze absoluut schuwer waren, zeker buiten het stedelijk gebied. De dieren waren toen nog echt "ril" en sloegen bij vermeend onraad direct op de vlucht.

De vogelgids vermeldt: talrijke broedvogel, die gedeeltelijk wegtrekt en derhalve plaats maakt voor exemplaren uit noordelijke streken. Tegenwoordig trekken de stadsbewoners onder deze eenden vrijwel zeker niet meer weg. Zij blijven hangen in luilekkerland waar zij door moeders met kinderen, ouden van dagen en allerlei dierenliefhebbers overvloedig worden gevoederd. Zo veel zelfs dat de bruine ratten er ook nog behoorlijk wat aan overhouden. In zijn oorsprong is de wilde eend eigenlijk een vogel die bij voorkeur 's nachts op voedseltocht gaat. Overdag keren ze dan terug naar besloten plekjes om daar te rusten en te dompelen.

Zo ongeveer eind juni nadat de "poelen" (de jongen) zijn uitgegroeid tot zelfstandige dieren begint de ruitijd. Daarbij verliezen ze binnen korte tijd alle slagpennen, zodat vliegen niet meer mogelijk is. De echte wilde eenden brengen de ruitijd dus zo beschut mogelijk door in afgelegen watertjes met veel schuilmogelijkheden. Immers; als je niet kunt vliegen ben je als eend behoorlijk kwetsbaar! Tijdens het wisselen van de veren zien de woerden (de mannetjes) er ongeveer net zo uit als onregelmatig getekende eendjes (vrouwtjes). Deze overgangsfase van oude naar nieuwe veren noemt men eclipskleed. Is de rui eenmaal voltooid, dan ziet een echte woerd er weer op en top uit en de eendjes zitten ook weer glad in de veren.

Dan is de tijd aangebroken om te zorgen dat je goed doorvoed de winter in gaat. In grote groepen worden de voedselgebieden opgezocht. Graag wordt er dan gefourageerd op graanakkers, hetgeen weleens wat schade veroorzaakt. Door een goede vetreserve op te bouwen kunnen ze de schralere winterperiode meestal wel doorkomen.

In het vroege voorjaar begint de paartijd. In het stedelijk gebied vaak al in januari of februari. Typisch baltsgedrag is het knikkoppen terwijl de woerd en het vrouwtje op elkaar afzwemmen. Het nest wordt gedeeltelijk gemaakt met gebruik van eigen donsveren. Een goede nestplaats is een pluk brandnetels in de buurt van het water. Ook de holte van een knotwilg biedt goede huisvesting. Nadat eerst alle eieren gelegd zijn begint de eend met broeden. Na 3 weken komen de poelen uit. Deze worden niet door de moeder gevoerd. Nestvlieders als ze zijn kunnen ze zodra ze zijn opgedroogd lopen en zwemmen en dus hun moeder volgen als ze op voedsel uit gaat. Daartoe zoekt ze kleine slootjes en uithoeken op waar veel plantaardig en dierlijk voedsel te vinden is. Zo leert ze automatisch haar poelen waar ze het juiste voedsel moeten zoeken. Eigenlijk moet je dan juist niet voeren met brood of dergelijke, zodat moedereend niet in luilekkerland blijft hangen.

De zorg van moedereend bestaat verder uit het beschermen en warm houden van de jongen indien dit nodig is. Belangrijk is dat de vetklier op de stuit dichtbij de boven zijde van de staart zich goed ontwikkelt. Door deze te stimuleren (dagelijks vet ze haar veren in) zorgt moeder dat het verenpakje waterafstotend blijft zodat de jongen onder haar verenpakje droogt blijven. Eenden waarbij de stuitklier niet goed werkt worden drijfnat, komen dieper in het water te liggen en worden tenslotte ziek. We noemen zulke eenden lek. De isolatie van een gezond verenpak is zo goed, dat zowel warmte als extreme kou de dieren niet deren. Ook water van zo'n 0 graden is prima voor ze om in te zwemmen.

De kleur en tekening van het verenpak wijkt nogal eens af van het normale patroon. Dit heeft te maken met inkruising met allerlei gecultiveerde soorten waardoor er bastaarden zijn ontstaan. Naast de gewone wilde eend kennen we nog een aantal soorten die schuwer zijn gebleven; de smient, de wintertaling, de zomertaling, de slobeend enz. Juist deze soorten passen zich minder gemakkelijk aan en zijn dus schuw gebleven, waarbij ook het normale natuurlijke gedrag gewaarborgd is.

Vorige pagina