Kraanvogels

door Jan Visser

Eén van de meest spectaculaire West-Europese vogels is de kraan- vogel. In de Lage Landen is deze broedvogel honderden jaren geleden reeds uitgeroeid. In de herfst verzamelen grote scharen kraanvogels zich in het noorden van Oost-Duitsland, met name op het eiland Rügen. Na de eerste zware vorstinval trekt een deel weg naar het zuid- westen. De slechts enkele honderden kilometer brede trekbaan van deze vogels schampt langs de oostkant van Nederland. De overwinteringgebieden liggen in Spanje. Vele tienduizenden Noordeuropese broed- vogels van Finland en Rusland trekken meestal naar het zuidoosten, om via Turkije en Egypte in de overwinteringgebieden in Soedan en Ethiopië terecht te komen.

Kraanvogel
Kraanvogel
Het verdragende geluid van overvliegende Kraanvogels doet iedere rechtgeaarde vogelaar naar buiten hollen. Ieder voor- en najaar verschijnen er Kraanvogels boven Nederland en zoals gememoreerd meestal via de oostflank van Nederland, zo ongeveer langs de lijn Bremen-Deventer-Antwerpen.. De overgrote meldingen hebben betrekking op overvliegende vogels. Overwintering komt voor, echter is zelden het geval en hebben wellicht betrekking op uit gevangenschap ontsnapte vogels. Rügen is van eminent belang voor de kraanvogels. Tijdens de herfsttrek zijn hier gemiddeld meer dan 25.000 exemplaren op twee slaaplocaties op West-Rügen en op het nabijgelegen eilandje Bock waargenomen. De kraanvogel met zijn gewicht van ca 4,5 kg is driemaal zo zwaar als de blauwe reiger. Het zijn tevens de langste vogels in Europa en met hun fraaie majestueuze verschijning, hun cancanveren en het onmiskenbare geroep, spreken zij tot de verbeelding van velen. Zij hebben aan de kop een karakteristieke zwart-wittekening met een rode kruin. De wangen en zijkant van de hals zijn wit. De cancanveren zien eruit als een bossige staart, maar het zijn géén staartveren maar de tot sierveren uitgegroeide, afhangende binnenste armpennen (zgn. tertials). Zij kunnen tot 1.15 meter hoog worden waarmee ze onze hoogste vogelsoort zijn. De éénjarige vogels zijn iets kleiner en donkerder, missen de fraaie koptekening en hebben een rossig-bruine kop en kleinere armpennen.

Ten opzicht van reigers hebben kraanvogels een kortere, krachtiger snavel. Kraanvogels voeden zich met planten, insecten, wormen, weekdieren, kikkers, muizen en jonge vogels. Het herfstvoedsel bestaat van oorsprong veel uit veenbessen (het engelse woord cranberry betekent eigenlijk Crane-berrie = kraanvogelbes). Overdag foerageren zij in het heuvelachtige landschap op de akkers, tot een afstand van maximaal circa 50 km van de slaapplaats. Op de akkers eten ze de resten van de maďs, aardappels en dergelijke. De kraanvogels foerageren overdag op het noordelijk en westelijk deel van Rügen en op de noordkust van het vasteland. Dit omvangrijke kustgebied in het zuidelijke deel van de Oostzee bevat uitgestrekte delen die minder dan één meter diep zijn, rietvelden, zout-moerassen en interessant achterland met bossen, akkers en weilanden.

In de herfst heeft dit gebied eveneens een belangrijke functie voor andere pleisterende trekvogels, waaronder aalscholvers (ondersoort sinensis), knobbelzwanen, kleine zwanen, riet-, kol-, grauwe-, brand- en rotganzen, wintertalingen, kuifeenden, brilduikers, bosruiters en reuzensterns. Typerende, oostelijke zomer- en standvogelsoorten zijn de roodhalsfuut, zeearend en schreeuwarend, rode wouw, kortsnavel-boomkruiper, kleine vliegenvanger en sperwergrasmus.

Kraanvogeltrek. In vlucht bieden de kraanvogels het karakteristieke beeld van lijn- of V-vormig vliegende groepen van grote, reigerachtige vogels die vliegen met een uitgestrekte, lange hals en poten. De spanwijdte kan tot 2.20 m bedragen. De bekende V-vorm is een energiezuinige vorm van vliegen, waarbij de vogels als het ware in elkaars "kielzog"vliegen. De gemiddelde kruissnelheid van de vogels kan tot ongeveer 70 km per uur oplopen, uiteraard afhankelijk van de weersgesteldheid. De trek vindt zowel overdag als 's nachts plaats, meestal op een hoogte tussen de 200 en 1000 meter, zelfs op 4000 meter zijn de trekkende kranen weleens waargenomen. Tijdens de trek maken de kraanvogels, in tegenstelling tot bijvoorbeeld ooievaars, geen gebruik van thermiek, maar ze vliegen op eigen kracht aan één stuk door waarbij ze af en toe zeilen. Tijdens de vlucht is de karakteristieke, verdragende roep te horen, die u wellicht al kent van de overvliegende doortrekkers.

Vorige pagina