Ransuilen
door Riet van de Water

foto D. v.d. Spoel: Ransuil
De ransuilen broeden het liefst in en kraaiennest of iets gelijkwaardigs in een naaldbos. Dit kan ook in de stad als er maar naaldbomen zijn met gelegenheid om over weiland of grasland naar woelmuizen te jagen. Ze jagen in de schemering en 's nachts op het gehoor. Ze horen het ritselen van de muizen in het gras. 's Winters zoeken ze met soms wel tien exemplaren een roest- of rustplaats bij elkaar. Daar zitten ze dan overdag heel stil, tegen een stam of dikke tak aan en maken zich heel dun en rechtop zodat ze bijna niet opvallen. Ook al door hun mooie schutkleur. Het kan ook gebeuren dat ze in een oude taxusboom zitten, maar die zijn niet zoveel voorradig.
De ransuil gaat weg als er bosuilen in de buurt komen broeden. De bosuilen zijn iets groter. Toen in de tachtiger jaren van de vorige eeuw de havik weer met meer exemplaren verscheen, ging het aantal ransuilen hard achteruit. De havik lust namelijk wel zo,n slank uiltje. Er is nu weer een evenwicht bereikt en er zijn zeker 10.000 broedparen in Nederland. Dat wil nog niet zeggen dat het veel is, want ze blijven kwetsbaar waar het de broedplaatsen betreft.
De meeste roofvogels (dus ook de uilen) beginnen met broeden vanaf het eerste ei. Het kan dus gebeuren dat het eerste jong al uit is als de laatst nog moet komen. Dit is met voorbedachten rade want als er te weinig voedsel is voor allemaal, dan wordt de laatste, dus de kleinste opgeofferd. Soms zelfs als voedsel voor de oudsten. Zo'n kleinste wordt wel nestdotje genoemd. Als er voldoende eten is, dus in een goed woelmuizenjaar voor de ransuil, dan wordt dit nestdotje gewoon een grote en sterke uil.
In het Reyerpark, achter het NME Centrum staan een aantal naaldbomen en daar broeden met succes steeds een paar ransuilen. We zijn ze na de brand in de manege even kwijt geweest, maar gelukkig zijn ze weer terug.
