Waarom trekken vogels?
door Rob Horvath
We hebben het allemaal een keer te horen gekregen in onze prille jeugd. De een op een ouderwetse lagere school met een meester die nog een autoriteit was en waar je als kind nog tegenop keek. De ander via oom of tante of via de eigen ouders. Al of niet met romantiek omgeven werd ons dat verteld.
Op een manier waardoor wij de indruk kregen dat tegen het najaar zoveel vogels ons land vertrokken dat er niet een meer over bleef. Wie echter oren en ogen goed open hield kreeg eerder de indruk dat er in de winter juist meer vogels in ons land verblijven.
Gierzwaluw
De reden daarvan komt later ter sprake.
Eerst is het van belang dat we het begrip vogeltrek even nader onder de loep nemen. Er zijn verschillende redenen waarom vogels trekken. Zo kun je spreken van voedseltrek, slaaptrek en de trek naar het zuiden. Eigenlijk kunnen we alleen die soorten als echte trekvogels aanmerken, die na het grootbrengen van de jongen uit het broedgebied wegtrekken naar zuidelijker streken. Het is daar in het winterhalfjaar duidelijk warmer en waar dus zo ongeveer het zelfde voedselaanbod voor handen is als binnen het gebied waar het broedsel is groot gebracht. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn b.v. de zwaluwsoorten: boeren-, huis- oever-, en gierzwaluw.
Vele kleine soorten loofzangers als fitis en tjiftjaf en de grote stem behoren echt tot de trekvogels. Al deze soorten broeden o.a. in Nederland. De een wat meer dan de ander, maar kunnen bij ons de winterperiode normaliter niet overleven. Ze zijn dus zonder meer genoodzaakt naar het Zuiden te trekken, tot in Afrika toe. De grote stem trekt zelfs van West-Europa tot aan de Zuidpool toe. Er is dus een duidelijke scheiding tussen broedgebied en overwinteringgebied. Je zult dus in Nederland bijvoorbeeld geen zwaluwen in januari tegenkomen. Dus toch minder vogels zult u zeggen. Mis..
Voor bijvoorbeeld ganzensoorten die in noord-oost-Europa broeden fungeert met name ons land als overwinteringgebied. Het relatief milde zeeklimaat met zijn vele, door mensen gemaakte, polderland biedt een uitstekende verblijfsmogelijkheid. Dus krijgen we er wat dat betreft enkele honderdduizenden vogels bij. Enkele soorten?
De rietgans, kolgans, brandgans en de rotgans. Met name de rotgans is zeker niet geliefd bij de boeren; wellicht toch wel enigszins terecht. Ze zijn niet uit onze streken weg te slaan en blijven soms hangen tot in april. De andere ganzen zitten dan al lang weer in hun noordelijk broedgebied. Wist u dat drie ganzen bijna net zoveel gras eten als een koe?
Naast de vogelsoorten die uit het Noorden naar onze streken toegekomen om te overwinteren en dus de soortenrijkdom bij ons tijdelijk doen toenemen. kennen wij drie soorten die ik graag ZWERFVOGELS zou willen noemen.
Deze vogels verplaatsen zich min of meer binnen hun verspreidingsgebied. Een goed voorbeeld daarvan is de welbekende spreeuw. De gespikkelde vogels die u s'winters bij ons ziet rondscharrelen komen uit Oost- en Noord Oost-Europa en onze spreeuwen hebben hun heil gezocht in Zuid-Engeland en Frankrijk.
Zij trekken dus wel naar mildere streken doch doen dit binnen het normale verspreidingsgebied. Waarom die Russische spreeuwen zo gespikkeld zijn? Voordat de spreeuwen wegtrokken waren deze vogels natuurlijk netjes uitgeruid.
Al de nieuwe veren zijn voorzien van een lichtpuntje, dat gebeurd ook met onze spreeuwen die in de winter elders vertoeven. Gedurende de winter slijt dat lichtpuntje, die spikkel van de veren af, dus wordt de spreeuw weer egaal glanzend zwart. Hij heeft dus niet zijn zomerpakje aangetrokken; nee, zijn winterpakje is versleten.
foto D. v.d. Spoel: Roodborst
Het roodborstje is ook zo'n soort dat zich binnen zijn verspreidingsgebied verplaatst. Terwijl de roodborstjes die bij ons gebroed hebben Frankrijk bevolken, hebben wij een nog groter aantal uit Noord-Europa te gast. En ze vallen nog meer op ook...
Ze bezetten tijdelijk een eigen territorium verdedigen zich met verve en komen graag op de voedseltafel of vergezellen de spittende tuinman.
Sommige vogels trekken pas naar mildere streken als de weersomstandigheden hen dwingen. Een goed voorbeeld daarvan is de kievit. Bij slappe winters zie je ze bij ons het hele jaar. Als de vorst dreigt in te vallen trekken ze wat zuidelijker of westelijker weg.
Ondanks dat trekvogels uitwijken naar betere gebieden om te overwinteren bedreigen hen vele gevaren.
Bij extreem strenge winters kunnen zij in hun winterkwartieren verrast worden door voedselgebrek. Een goed voorbeeld hiervan was de KOPERWIEK. Een lijstersoort die evenals de kramsvogel in Noord-Europa broedt en in liet winter halfjaar uitwijkt naar o.a. Nederland. In de winter van 1962-'63 stierven zij bij bosjes zodat nog slechts een zeer gering deel de terugtocht weer kon aanvaarden
Een andere bedreiging zijn grote watervlakten. Spreeuwen die van het vaste land naar Zuid-Engeland trekken, strijken bij slecht weer soms massaal op schepen neer.
Een van de allergrootste gevaren vormt echter de jacht. Vele soorten moeten over België en Frankrijk en vervolgens over de Pyreneeën Zij worden zeker in Frankrijk en de Pyreneeën opgewacht door een leger jagers die hen meedogenloos afschieten om als culinaire eenhaps cracker te dienen.
De trekroute gaat meestal via een dwarsroute vanaf de zomerverblijfplaats rechtstreeks naar de kust en via de kustlijn naar Zuidelijke richtingen
Om trekvogels goed te kunnen waarnemen moet men dus een geschikt punt opzoeken zoals een hoge duintop dicht bij de zeereep of een dam in zee zoals bijvoorbeeld de pier van IJmuiden.
Ook op een dwarsroute is goede waarneming mogelijk. Dicht bij ons in de buurt is Kinderdijk een goede plaats.
Direct na zonsopgang tot ongeveer 10 uur is het druk op de trekroutes en wel bij helder weer met weinig wind. De beste tijd is oktober.
Een goede kijker is een vereiste.
Vorige pagina