Jaarverslag 2009 Werkgroep Ruimtelijke Ordening en Milieu
Beheerplan Gorzengriend Ridderkerk
Visie van Natuurvereniging Ridderkerk
Drs. C.P Groshart, drs. S.D. Elzerman, A. van Dragt, A.F. Hollestein
Januari 2010
Spindotter
Voorwoord
In het onderliggende document geeft Natuurvereniging Ridderkerk haar visie op de waarde en het beheer van het Ridderkerkse Gorzengriend. Aanleiding voor het opstellen van dit stuk, is de aanleg van een aantal onderhoudswegen dwars door het gebied. De Natuurvereniging vindt dit een onaanvaardbare aantasting van het laatste stukje natuur in een zeer verstedelijkte omgeving en bovendien een uniek stukje natuur. Met de aanleg van de onderhoudswegen zijn grote natuurwaarden verloren gegaan. Bovendien is door de aanleg van de wegen in een groot deel van het griend de waterhuishouding verstoord waardoor nog meer natuurwaarde verloren dreigt te gaan. Snel ingrijpen en herstel van de oorspronkelijke situatie is gewenst.
Ook in voorgaande jaren is het beheer van het griend niet optimaal uitgevoerd en stond het gebied onder grote recreatieve druk. Dit is door de Natuurvereniging diverse malen aangekaart bij de gemeente. Met het onderliggende beheerplan beoogt de Natuurvereniging aan te geven hoe het beheer idealiter zou moeten worden uitgevoerd,ongeacht wie de beherende partij is.
Zomerkade
Inhoudsopgave<
1. Inleiding
2. Historie
3. Beleidskader en doelen
4. Beheer hakgriend
5. Beheer vloedbos
6. Beheer Meer der Stilte
7. Beheerorganisatie
8. Aangelegde onderhoudswegen
9. Literatuurlijst
1. Inleiding
Kattestaart
Het Gorzengriend van Ridderkerk ligt buitendijks aan de getijdenrivier de Noord. Na afsluiting van het Haringvliet is dit griend tezamen met de grienden langs de Oude Maas één van de laatste zoetwatergetijdengrienden van Noordwest-Europa. In deze grienden is nog een getijdenverschil van ca. 1 m. In de Biesbosch is dit na afsluiting van het Haringvliet slechts 30 cm. De grienden langs de Oude Maas zijn inmiddels tot Natura 2000-gebied bestempeld, waarmee het belang van dit soort getijdengrienden wordt erkend. Derhalve is het belang van het Gorzengriend groot, zelfs op Europees niveau. Regionaal gezien maakt de Gorzengriend deel uit van de ecologische verbindingszone langs de grote rivieren en vormt tevens een onderdeel van de verbinding tussen de Nationale Landschappen “Groene Hart”(Alblasserwaard), “Biesbosch” en “Hoeksche Waard en het Provinciaal landschap (Structuurvisie Provincie Zuid-Holland, 2009).
De Gorzengriend is incl. de kaden ca. 12 ha groot. De oppervlakte van het naastgelegen “Meer der Stilte” bedraagt ca. 4 ha en kan als een inlage (ondiepe plas die alleen bij stormvloed contact heeft met het buitenwater) worden beschouwd. Het griend is in eigendom van het rijk (Domeinen), maar is sinds 1975 verpacht aan de gemeente Ridderkerk. Eigendommen van het Rijk worden doorgaans beheerd door Rijkswaterstaat, tenzij de gebieden verpacht zijn. Als beheerder van het Rijk heeft Rijkswaterstaat wel de plicht toe te zien op het gedrag/beheer van de pachters. Het “Meer der Stilte” is eigendom van Waterschap Hollandse Delta en wordt ook beheerd door de gemeente Ridderkerk.
2. Historie
Griend
De Gorzengriend stamt uit de 19e eeuw en is aangelegd tussen 1850 en 1870. Het oorspronkelijke gebruik is niet exact bekend. De laatste 50 jaar wordt het Gorzengriend deels beheert en gebruikt als hakgriend en deels als vloedbos. Hakgrienden hebben naast een ecologische waarde ook een cultuurhistorische waarde. In hakgrienden worden de uitgegroeide stobben van de hakwilgen om de 1,2 en 3 tot 5 jaar gehakt. Het 1-jarige wilgenhout werd gebruikt als bindteen voor wilgen- en rietbossen. Het 2-jarige wilgenhout werd gebruikt als bindteen en voor de manden- en korfvlechterij. Het 3- en 4 jarig wilgenhout werd gebruikt als rijshout voor zinkstukken, bonestaken en schopstelen en hoepels die om tonnen gingen. Recentelijk wordt het hakhout vrijwel alleen nog toegepast in zinkstukken die worden aangebracht als oeverbescherming langs de grote rivieren. Hier schijnt de laatste jaar ook weer meer vraag naar te zijn omdat de gebruikte alternatieven grote nadelen hebben. Bovendien wordt het hakhout tegenwoordig ingezet als biobrandstof.
De werkzaamheden in het griend werden vroeger uitgevoerd door griendwerkers.
Destijds woonden deze mensen ook in het griend. Of dit in het Ridderkerkse griend ook zo was, is niet bekend.
Gedurende de winterperiode van begin november tot half maart waren de griendwerkers bezig met het oogsten van
wilgenhout. Hiertoe hakte men het hout, maakte er bossen van en deze bossen droeg men via zgn. battings
(planken) die over de grippen (greppels) lagen, naar de kade. Daar werd het hout op maat gehakt en
verzameld op een griendschelf, wachtend op verder vervoer. In de zomer pleegden de griendwerkers ook
onderhoud. Zo zorgden ze ervoor dat de onkruiden werden gewied. De onkruiden konden immers de groei
van de wilgentakken belemmeren. Verder haalde men bij éénjarig hout de zijscheuten en kleine twijgen
van de stobben zodat alleen de lange rechte staken overbleven en beter door konden groeien. Ook verwijderde men mossen en korstmossen. Verder herstelden ze kaden en diepten greppels uit met behulp van een modderschop, een trekschop, een kleischop en een zodenzetter. Dit deed men om ervoor te zorgen dat de wilgen voldoende water kregen.
Sinds 1975 wordt het griend beheerd door de gemeente Ridderkerk. Ongeveer 2/3 deel van het griend wordt als hakgriend beheerd en 1/3 als vloedbos. De hakgriend wordt 1x per 3 jaar gekapt. Elk jaar 2-3 ha. Tot enkele jaren geleden werd het hout op de kade langs de Noord verbrand, omdat de opbrengst te gering was om het te verkopen en de transportkosten te hoog. Sinds de aanscherping van de milieuregels is dit echter niet meer toegestaan. Daarna heeft men de takken aanvankelijk eerst in de legakkers verwerkt door ze daar in bossen neer te leggen. Dit leidde echter tot verstikking van de onderbegroeiing en in de winter dreven de takken door het gehele griend. Daarna is men gestart met het afvoeren en het versnipperen van het hout. Op vele plaatsen in het griend zijn bergen versnipperd hout te vinden. Ook het onderhoud van de greppels heeft vrijwel niet plaats gevonden. Drie jaar geleden is men gestart met het verbreden van de tij- en tochtsloten en het aanleggen van ophaalbruggen. Het doel was om het afvoeren van het hout per boot mogelijk te maken. In 2009 is zonder enige onderbouwing, overleg of procedure een ca. 3m brede onderhoudsweg van ca. 360m aangelegd in het grote griend en een korte weg in het griendje op de kop van de haven. De motivatie was dat men dan het onderhoud beter zou kunnen uitvoeren en dat men dan kon voldoen aan de nieuwe Arbo-eisen.
Al in 1988-1990 werd door Natuurvereniging Ridderkerk afsluiting van het griend in het broedseizoen bepleit, zodat de rust in het griend bewaard zou blijven. Destijds was sprake van crossbrommers door het griendgebied. Met de bouw van de wijken het Zand en Drievliet is de recreatieve druk op het natuurgebied sterk toegenomen en worden ondanks een verbodsbord vele honden uitgelaten.
Het Meer der Stilte is eind jaren „60 ontstaan bij het aanleggen van de Deltadijk. Hiervoor werd de Gorzenpolder, die daar toen lag, afgegraven. De klei werd gebruikt voor het ophogen van de dijk. Hierdoor ontstond een plas waar vele vogels rusten, broeden en fourageren. In de periode 1972-1974 is met succes gestreden om het behoud van de plas. De vrees, dat de plas de stabiliteit van de dijk aan zou tasten, was ongegrond. Het Meer der Stilte wordt begrensd door de zomerkade en de winterdijk (NAP dijk) en is langwerpig van vorm. Langs de zomerkade is een brede strook riet aanwezig, langs de oevers van een voormalige tochtsloot. Er groeien ook strookjes riet tussen de kade en de dijk, veelal op de resten van de dwarsslootjes van de Gorzenpolder. Het Meer der Stilte staat in verbinding met de griend door middel van een ijzeren buis, die op twee plaatsen onder de zomerdijk door loopt. Aan de griendzijde zitten kleppen. Als het waterpeil in het meer te hoog wordt, loopt het water naar het griend. Andersom is dit niet mogelijk en blijft het waterpeil in de gorzenplas vrijwel constant hetzelfde. Ook komt hierdoor geen voedselrijk griendwater in de Gorzenplas. De Gorzenplas is in het midden 2m diep en aan de randen ca. 10 cm. In 2007 zijn buizen vervangen door buizen zonder klep. Hierdoor staat de plas sindsdien permanent in verbinding met de rivier.
3. Beleidskader en doelen

Het Gorzengriend is één van de laatste zoetwatergetijdegrienden met een redelijk groot getijdenverschil. De andere vergelijkbare gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied en krijgen daardoor Europese bescherming. Gezien het belang en het unieke karakter van het griend zou een vergelijkbare behandeling juist zijn. Door de provincie Zuid-Holland is het gebied in het Natuurgebiedsplan Zuid-Holland aangewezen als: “Vochtig bos met productie en vochtig hakhout en middenbos”.
Omdat het griend ook een cultuurhistorische waarde heeft als hakgriend is het belangrijk ook dit mee te nemen in het opstellen van de doelen.
Van de beschermde plantensoorten die het Gorzengriend herbergt vormt de Spindotter één van de belangrijkste soorten. De Spindotter is een ondersoort van de Dotterbloem en komt vrijwel alleen voor in de zoetwatergetijdegebieden rond de Oude Maas en de Noord. Instandhouding en uitbreiding van de groeiplaatsen zijn daarom van groot (internationaal) belang. Onbekend is of, en welke, vleermuissoorten voorkomen in het griend. Met vele holle bomen vormt het griend wel een goed potentieel zomeronderkomen voor vleermuizen. Ook is er voor vleermuizen ruim voldoende voedsel (insekten) te vinden. Derhalve is het gebied potentieel zeer geschikt voor vleermuizen en zullen deze naar alle waarschijnlijk ook aanwezig zijn. Uit onderzoek van de grienden langs de Oude Maas uit 1980 bleek dat daar voorkwamen: Bosspitsmuis, Bosmuis, Veldmuis en Dwergmuis. Naar verwachting zullen deze soorten ook in het Gorzengriend aanwezig zijn. Verder is het de vraag of de Noordse Woelmuis in het gebied voorkomt. Er is nooit een muizeninventarisatie uitgevoerd. Voor vergelijkbare gebieden Carnisse Grienden en Klein Profijt wordt deze soort wel genoemd als één van de doelsoorten. De Noordse Woelmuis komt inmiddels op vele plaatsen rondom het eiland Hoeksche Waard al voor in de buitendijkse gebieden. De kans is daarom dan ook groot dat deze soort reeds in het Gorzengriend voor komt. Het gebied biedt in ieder geval voor deze soort een potentieel leefgebied. Voor deze soort is vooral de verwilderde griend van belang. Het griend biedt verder broedgelegenheid aan vele broedvogels, welke allen beschermd zijn ingevolge de Flora- en Faunawet. Verder is reeds enige malen een verdwaalde Bever waargenomen in het verwilderde deel van het bos. (S.D Elzerman heeft er zelf 1 waargenomen op 11-05-2004) In vergelijkbare gebieden als de Carnisse Grienden en Klein Profijt en rondom het nabij gelegen eiland Sophiapolder is de Bever al een vaste gast. Het verdient daarom aanbeveling de griend als potentieel leefgebied voor de Bever geschikt te houden. Het is daarom belangrijk een deel van het griend te behouden als vloedbos.
Uit onderzoek van de grienden langs de Oude Maas uit 1980 bleek ook dat er een aantal bijzondere bodemfaunasoorten voorkwamen. Deze soorten kwamen voor in zowel hakgriend als vloedbos zodat beide voor deze soorten belangrijk zijn.
Het Meer der Stilte herbergt vele broedende water- en rietvogels. Omdat het water van het meertje vrij voedselarm is, kan dit leiden tot meer soorten planten. De vegetatie van het Meer der Stilte is echter nog nooit in kaart gebracht zodat de vegetatiesamenstelling niet bekend is. Vanwege de meters brede rietkraag is dit ook moeilijk te inventariseren. De rietkraag biedt op zich veel broedgelegenheid en overwinteringmogelijkheden voor insecten. Derhalve is het van groot belang een vitale rietkraag in stand te houden en het water van de plas voedselarm te houden.
Het doel van het gebied kan op grond van het bovenstaande worden vastgesteld:
Winters griend
DOEL:In stand houding en optimalisatie van de natuurwaarde en de cultuurhistorische waarde van het griend en het gorzenmeer.
Doelsoorten voor de natuurwaarde zijn:
Spindotter, Bever, Vleermuizen, Bosspitsmuis, Bosmuis, Veldmuis, Dwergmuis, Noordse Woelmuis, Gekraagde Roodstaart, Matkop en Blauwborst (alle drie als broedvogel), Oranjetipje en Landkaartje .
Doel voor de cultuurwaarde is:
Behoud van de oorspronkelijke verkaveling en het oorspronkelijk aanzien van het griend en beheer van ongeveer 2/3 deel van het griend als hakgriend.
Doel voor het Meer der Stilte is:
Behoud van de rietkragen en het voedselarme water van de plas.
4. Beheer hakgriend
Hakgriend
Het hakgriend kan in de toekomst ook gewoon als hakgriend worden onderhouden. De te hakken griend kan 1 x per 3 jaar worden gehakt. Indien dit teveel is kan worden gekozen voor een cyclus van 1x per 4 jaar. Om aan de arbo-eisen te voldoen zullen de takkenbossen kleiner moeten worden gemaakt. Hierdoor worden ze lichter. Wel zal men dan vaker heen en weer moeten lopen waardoor er meer tijd nodig is voor het onderhoud. Het lopen over de akkers en sloten kan vergemakkelijkt worden door het leggen van planken waarover men kan lopen. Het gehakte hout kan lopend worden afgevoerd naar de kade langs de Noord vanwaar het met een trekker kan worden afgevoerd. Aan de andere kant kan het hout naar de zomerkade worden gebracht vanwaar het met een trekker of een kar met paard en wagen kan worden afgevoerd. Verder kan onderzocht worden of het mogelijk is het hout af te voeren middels boten via de tij- en dwarssloten. Hiervoor zijn immers al aanpassingen gedaan. Misschien is het zelfs mogelijk het hout op een kleine boot te laden en deze middels een lier aan een tractor door de dwarssloten naar de kade of de zomerdijk te trekken. Ook is het mogelijk het hout tijdelijk opgebost op een locatie te laten liggen, totdat dit bij een extreem hoog water kan worden afgevoerd. Er moet dan wel voor gezorgd worden dan het hout niet door het griend kan gaan drijven. Dit kan men doen door het op bossen rechtop te plaatsen. Zo wordt dit in Klein Profijt ook gedaan. Een andere mogelijkheid is over te schakelen naar een 2 jarige kapcyclus waardoor het af te voeren hout veel lichter van gewicht is. Voor het afvoeren van het gehakte hout zijn ook diverse kleine transportvoertuigen in te zetten, zoals: Raupendumper und transporter, Takeuchi TCR 50, de 62 cm brede Raupen-Caddy RC500, Hitachi EG70R-3 (TIS gala bau 4/2009).
Een aandachtspunt vormt het uitdiepen van de greppels tussen de akkers. In het verleden is hier weinig aandacht aan geschonken waardoor vele greppels grotendeels zijn dichtgeslibd. Voor de standhouding van het griend is het uitdiepen van de greppels van groot belang. Mogelijk kan dit middels een slim systeem waarbij een bak hangend aan
een lier door de greppels wordt getrokken. Onderzocht kan worden of hiervoor heel lichte apparatuur beschikbaar is (apparatuur op luchtkussens). Anders zal dit toch met de hand moeten geschieden. In de griend is al ervaring opgedaan met het gebruik van een kleine graafmachine om dicht geslibde greppels uit te graven. De resultaten waren goed. Opgemerkt moet worden dat dit probleem met de aanwezigheid van de onderhoudswegen ook niet opgelost is of wordt. Vanaf de wegen kan men de greppels niet onderhouden.
5. Beheer vloedbos
Vloedbost
De voorkeur gaat uit naar geen of vrijwel geen beheer uitvoeren in het vloedbos. In dit deel van het griend zouden bij voorkeur ook geen of alleen paden langs de rand van het gebied moeten lopen. De paden langs de rand van het vloedbos moeten vrij worden gehouden van gevallen boomstronken en onveilige bomen dienen tijdig te worden gekapt. Verder kan het gekapte hout in het vloedbos blijven liggen. Om de ondergroei in het vloedbos te versnellen zou op een aantal plaatsen mogelijk wel wat gekapt kunnen worden zodat open plekken ontstaan waar nieuw opschot van bomen eerder een kans krijgen. Dit moet zeker niet te rigoreus gebeuren.
6. Beheer Meer der Stilte
zomerkade
Om de rietkraag in het Meer der Stilte vitaal te houden dient het riet bij voorkeur 1x per 2-5 jaar gefaseerd gemaaid te worden waarbij jaarlijks 20-50% gemaaid wordt. Van groot belang is dat het gemaaid riet wordt afgevoerd. Door gefaseerd te maaien blijft voldoende overjarig riet aanwezig voor de eerste broedvogels. Het maaien van het riet heeft als doel verruiging tegen te gaan. Ook moet 1x per 8-10 jaar de oever worden uitgekrabt waardoor verlanding van de rietkraag wordt tegen gegaan. Voor verjonging van het riet zou een iets lagere waterstand in het voorjaar optimaal zijn. Riet kan namelijk alleen boven water kiemen. Verder moet zorg worden gedragen voor het behoud van de rust in het gebied en het tegengaan van loslopende honden die door het riet en in het water gaan. Om het water voedselarm te houden moet de klep in de verbindingsbuis tussen de plas en Gorzengriend in goede staat worden gehouden. Eén van de verbindingen is nu een open verbinding. Deze verbinding moet bij voorkeur worden vervangen door een duiker met een klep aan de zijde van het griend.
De knotwilgen langs het zomerdijkje moeten ook om de 3-5 jaar geknot worden en dan bij voorkeur om en om.
7. Beheerorganisatie
Moderne griendwerker
Het beheer van het griend moet worden uitgevoerd door deskundige beheerders of in ieder geval worden begeleid c.q. aangestuurd door een deskundige beheerder. Om vermenging van bevoegd gezag en beheerorganisatie te voorkomen verdient het voorkeur dat het beheer wordt uitgevoerd door een andere organisatie dan het bevoegd gezag. Immers de gemeente is verantwoordelijk voor het bestemmingsplan en vormt daarmee het bevoegd gezag voor de Gorzengriend. Voor het bevoegd gezag mogen de kosten van het beheer geen doorslaggevende factor vormen om ingrepen te plegen in het griend. Immers de aanleg van de onderhoudswegen is vooral uit oogpunt van beperking van kosten gedaan1. Door de verantwoordelijkheden te scheiden kan het voortbestaan en de optimalisatie van het natuur- en cultuurgebied beter gegarandeerd worden.
1 Door het hout in kleinere delen op te bossen kan men aan de strengere arbo-eisen voldoen. Hierdoor kost het meer tijd en geld om het hout af te voeren.
8. Aangelegde onderhoudswegen
puinweg
De aangelegde onderhoudswegen doorsnijden de oorspronkelijke padenstructuur en de verkaveling van het griend. Bovendien ontsluiten zij het griend zodanig dat met auto.s brommers en fietsen tot ver in het griend kan worden doorgedrongen. Hiermee wordt de rust in het gebied verstoord. Ook leiden de wegen tot nog meer loslopende honden in het gebied, die de rust ook verstoren. In de winterperiode zal het veelvuldige gebruik met vrachtauto.s door de beheerder tot nog meer verstoring leiden. Een soort als de bever zal dan zeker het gebied niet gaan bewonen. Dat is jammer omdat met de aanleg van het moerasgebied in de Crezéepolder de grootte van het potentiële leefgebied voor de bever wordt uitgebreid en de kans dat hij er komt dus ook groter wordt.
Vanwege het feit dat de onderhoudswegen dwars door de structuur van het griend zijn gelegd, zijn hierdoor de greppels en de akkers doorsneden. De doorsnijding van de greppels heeft geleid tot het droog staan van een groot deel van het griend omdat er geen getijdenwerking meer optreedt via de greppels. Door de gemeente is voorgesteld dit op te lossen middels het aanbrengen van buizen onder de onderhoudswegen. Dit biedt geen oplossing voor het probleem, omdat de buizen zeer snel zullen dichtslibben waarna het griend opnieuw droog zal staan. Bovendien is daarvoor zeer veel graafwerk nodig. Dat is bijna net zoveel werk als het weer verwijderen van de onderhoudsweg op de door ons voorgestelde wijze. Totaal is 1150 m2 verharding in het griend aangebracht. Ten opzichte van het potentiële groeigebied van de Spindotter (welk ca. 70000 m2 bedraagt) is dus 1,6 % van het gebied vernietigd. Daarbij is de waterhuishouding in 1/6 deel van het hakgriend verstoord waardoor er geen getijdenwerking meer is. Indien dit wordt meegerekend is naar schatting 16% van het potentiële groeigebied van de Spindotter verstoord. Ten opzichte van het daadwerkelijke groeigebied van de Spindotter is naar schatting 40% vernietigd. De aangelegde weg ligt slechts voor een klein deel (15 m.) op de plaats waar voorheen deels een paadje van 50 cm. breed lag.
De aanleg van de onderhoudswegen is gebeurd in het laagste deel van het griend en de plaats waar de meeste Spindotters groeiden. In het laagste deel van het griend is de meeste getijdenwerking en dus ook de grootste potentie voor de Spindotters. Derhalve dient de onderhoudsweg ook te worden verwijderd.
De aangelegde onderhoudswegen kunnen ons inziens op een goedkope manier verwijderd worden door de puinlaag met een graafmachine eraf te halen en middels een vrachtauto te vervoeren naar de kade langs de Noord. Daar kan het puin op de kade worden aangebracht. Het is wel belangrijk om te zorgen dat hier geen andere voertuigen (auto.s, brommers) kunnen komen. Dit zou kunnen door het maken van een brug aan het begin die verwijderd kan worden gedurende het broedseizoen. Ook kan gezorgd worden dat de puinweg niet te netjes wordt afgewerkt. De rest van de onderhoudswegen kan worden verwijderd door met een graafmachine de sloten weer door de weg heen te graven en de uitkomende grond aan te brengen op de tussenliggende stukken. Op deze manier is geen dure afvoer van grond en puin noodzakelijk.
9. Literatuurlijst
- De Gorzen Ridderkerk, Jan Trouwborst en Paul van der Waal, 1988, Beschrijving van het adoptiegebied De Gorzengriend.
- Beheerplan van Griend en Gorzen, T. Hindriks, 1995, gemeente Ridderkerk
- Vergelijkend onderzoek aanr de aktieve bodemfauna van de getijdegrienden langs de Oude Maas, A. Barendregt, 1980.
- Vogels van de zoetwatergetijderivier de Oude Maas, 1996, Rob C.W. Strucker, ISBN 90-9010022-9.
Vorige pagina